De smaken van Zuid-Afrika: met mes, vork en hart
Ik ben werkelijk dol op uit eten gaan in Zuid-Afrika. De tomaten smaken naar zon, het desembrood is die ochtend gebakken, tonijn en kabeljauw komen van dichtbij. Niemand voelt de behoefte dat toe te lichten. Lokaal en biologisch zijn hier vanzelfsprekend en doodgewoon.
De variatie is groot
In en rond Kaapstad eet je van opgemaakte borden op sterrenniveau, maar net zo makkelijk zit je aan een houten tafel met een plank voor je neus. Een salade die royaal wordt opgebouwd: vijgen die jamachtig zoet zijn, bitter blad, grove schilfers kaas, een straaltje dressing dat zijn weg vindt over het bord. Bij een malse biefstuk hoort een huisgemaakte groene pepersaus en een portie friet die echt vers is. Ik bestel ze meestal extra knapperig. Met mayo.
Een pizza met een dunne bodem die knapt onder je mes. Zachte mozzarella in onregelmatige lepels verdeeld. Rode ui, boerenham, wat rucola erbovenop. Je ruikt het gerecht al voordat het bord op tafel staat.
Wat altijd meespeelt, is het prijsniveau. In restaurants ligt dat opvallend laag. De verhouding klopt zo goed dat ik gemakkelijk te veel bestel. Een gerecht om te delen. Een fles wijn in plaats van een glas.
Eten op jouw moment
Je eet hier wanneer het jou uitkomt. Tussen twaalf en acht is er vrijwel altijd een keuken open. Geen strakke lunchtijden, geen dode uren. Mensen eten vroeg. Vanaf zes uur loopt het diner al. Dat past mij goed. Ik ga hier meestal vroeg naar bed en sta op als de vogels beginnen.
Je eet hier net zo makkelijk uitstekend in een eenvoudig restaurant als in een zaak met linnen servetten. Garnalen uit een hete pan, krokant aan de buitenkant, sappig vanbinnen, met groente die nog beet heeft. Mosselen in een romige saus die naar zee en venkel ruikt. Op bijna elke kaart staan meerdere vegetarische gerechten die niet als bijzaak voelen.
Onderweg proef je steeds iets anders
In de Kaap ruikt het huis soms naar bobotie die net uit de oven komt. Kruidig, licht zoet. In Durban eet je met je handen een bunny chow: brood gevuld met curry, warm en pittig. In de Karoo krijg je lamsvlees met rozemarijn dat zo langzaam is gegaard dat zelfs de flexitariër in mij begint te twijfelen. Aan de kust ligt vis op je bord die die ochtend nog gezwommen heeft, met friet en citroen. Op een boerenmarkt in de Westkaap koop je een zak samosa’s om te delen met je buren aan de picknicktafel.
“Soms delen we alles.
Soms neem ik alleen een voorgerecht.
Alles mag in dit land.”
En soms is er dessert. Een dunne pannenkoek, warm, licht krokant aan de rand, gevuld met zacht fruit en gesmolten boter. Poedersuiker erbovenop. Een lepel ijs ernaast, die langzaam begint te smelten. Traditionele malva pudding. Of, laatst nog: een ‘loempia’ gevuld met mascarpone en vijgen.