Sani Pass & Kingdom in the Sky
Begin mei. Herfstkleuren in de Drakensbergen.
Twee grensposten, 8km stapvoets, de hoogste pub en een een dorp waar het leven er anders uitziet dan beneden.
Op weg naar de grens
Na het ontbijt staat er een vijfpersoons jeep bij Malachite Manor. De chauffeur, in winterjas en met wollen muts, stapt lachend uit en stelt zich voor als Pieter. Hij vraagt meteen of we onze paspoorten bij ons hebben en laat ons een eenvoudig formulier invullen voor de Zuid-Afrikaanse grenspost. Op de stoel naast hem zit Nina uit Moldavië, inmiddels wonend in Gent. Een kleine groep vandaag.
We rijden Underberg uit, een commercieel dorp met bedrijvigheid. Daarna door Himeville, met een sfeer uit vervlogen tijden.
Acht kilometer niemandsland
Bij de grens krijgen we een stempel en verandert de weg. Acht kilometer niemandsland. We doen er bijna een uur over.
De auto kruipt omhoog over losse stenen en diepe geulen. We worden heen en weer geschud terwijl het uitzicht zich opent. De lucht is helder vandaag en die zon schijnt. We maken fotostops, luisteren naar Pieter en slaan koffie en thee af. Eerst maar eens boven komen zonder misselijk te worden.
Vlak onder de top begint het serieuze werk. Twaalf haarspeldbochten, zegt onze chauffeur lachend. De auto pakt ze één voor één, soms in twee keer. Een stukje omhoog, terugsteken, opnieuw insturen.
Boven de lijn
Boven, op bijna 3000 meter hoogte, staat de grenspost van Lesotho. Een laag gebouw op een kale hoogvlakte. Paspoort afgeven, stempel erin, weer door.
In het dorp een stukje verderop lopen een paar mensen rond. Kinderen blijven op afstand. Pieter vertelt over het leven hier, over hoe mannen die vader zijn geworden van een jongen, één flinke klap krijgen met hun eigen wandel-/wapenstok. Als het een meisje is, krijgt papa 25 liter koud water over zicht heen. Dat mag de hele dag door. Een zwaardere straf dus. Over de speciale Lesotho dekens, die in Zuid-Afrika worden gemaakt met wol uit Lesotho.
Het meeste indruk maakt wat ik met eigen ogen zie. Zelf gemetselde huizen, laag en kaal. Binnen brandt vuur op gedroogde mest. De rook kleurt het rieten dak zwart. Buiten lopen schapen; ze zijn er voor de wol want dat brengt geld op. Hier op het platteland eten ze vooral groenten en pap. Geen stroom en geen stromend water.
We proeven lokaal brood, slaan het zelfgebrouwen bier af en lopen een stukje door het dorp. Iemand komt aangereden op een paard. Een kind trekt een jas recht die duidelijk te dun is voor deze hoogte. Geen broek. geen kinderschoenen.
Terug in de auto blijft het stil. Nina zegt dat ze nog nooit zoveel armoede heeft gezien.
Lunch in de hoogste pub van Afrika
Even later zitten we bij de pub op de top. Binnen brandt een vuur. We eten bunny chow (uitgehold witbrood met curr en koolsla. Simpel en goed. Het lokale Maluti bier uit blik smaakt verrassend goed en is ijskoud.
Vanaf het terras kijken we naar het landschap waar we net doorheen zijn gekomen en proberen de route terug te vinden.
Terug naar beneden
De afdaling is een ander verhaal. Waar het omhoog technisch voelde, wordt het naar beneden onrustig. We zetten onze voeten schrap tegen de zijkanten van de jeep, alsof dat helpt. De auto helt en corrigeert terwijl we langzaam afdalen.
Onderweg komt een man in een donkere deken ons tegemoet, met een paar takken hout op zijn rug. Hij loopt dit stuk elke dag, zegt Pieter.
Bij de grens krijgen we opnieuw een stempel en rijden Zuid-Afrika weer in. Nog geen tien minuten later staat de auto stil. Midden op de weg. Pieter zet hem in z’n achteruit en wijst naar links. Op het warme asfalt ligt een korte slang die niet beweegt. “Puff adder.”
Niemand stapt meteen uit. Pieter pakt een stok en probeert het dier naar de berm te krijgen. De slang verschuift een paar centimeter. Achter ons verzamelen zich auto’s. Mensen stappen uit, camera’s omhoog. Het duurt zeker tien minuten.
Dan glijdt hij langzaam in rechte lijn van de weg af, het gras in. Het publiek valt uiteen. Motoren starten weer. Even later staan we weer voor de deur van ons luxe onderkomen.